Joannes “Jan” Romeo
Mechelsesteenweg 100, Mortsel
Op de Mechelsesteenweg 100, te Mortsel, woonde Joannes "Jan" Romeo (°1922), samen met zijn echtgenote Louisette Vaerewijck.
De twee hadden elkaar in de jaren voor de oorlog steeds beter leren kennen en gedurende deze periode worden de twee verliefd. Ook in de oorlogsjaren blijft hun liefde voor elkaar duidelijk. In februari 1941 geeft Jan Louisette een foto met op de achterkant “Van Romeo aan Juliette”.
Een jaar later wordt Jan verplicht tewerkgesteld in Duitsland. Daar houdt hij contact met het thuisfront via brieven aan zijn geliefde. Wanneer Jan bij een werkongeval een vinger verliest mag hij op ziekteverlof terug naar huis.
Omdat Louisette als ongehuwde zelf het risico loopt om ook verplicht tewerkgesteld te worden, wordt er in alle haast besproken de echtverbintenis tussen Jan en Louisette te bespoedigen.
Op 15 april 1944, in het zaaltje achter café Scaldis, in het gebouw hiernaast, huwt het echtpaar. De twee trekken in boven de kruidenierszaak en bereiden zich voor om drie dagen later in datzelfde café een feest te houden voor vrienden en kennissen.
Wat Louisette op dat moment niet weet is dat het zaaltje reeds enige periode het trefpunt is van verzetsleden van de Nationaal Koninklijke Beweging, dat velen onder de genodigden zelf verzetsleden zijn, en dat Jan zelf ook deel uitmaakt van de verzetsgroep.
Wat niemand van genodigden wist was dat ook de Geheime Feldpolizei op de hoogte was van de verzetsgroep. Sedert geruime tijd hielden ze café Scaldis in burgerkledij in het oog vanuit het café De Valk, hiertegenover. Op 18 april, drie dagen na het huwelijk van Jan en Louisette, omsingelt de GFP Café Scaldis. Gewapend bedreigen ze de aanwezigen en controleren ze hun papieren. Op één iemand na, Marcel de broer van Louisette die kon ontsnappen, worden de verzetsstrijders opgepakt en in een gesloten vrachtwagen gedwongen. Intussen staan buren, familieleden, en Louisette op straat te kijken hoe hun geliefden en vrienden door de GFP worden meegenomen.
De mannen worden overgebracht naar de gevangenis van Antwerpen, in de Begijnenstraat. Een maand lang worden ze hier vastgehouden zonder bezoek te mogen ontvangen. Louisette krijgt in die tijd nog één brief van Jan. Hij vraagt haar of ze een pakket kan sturen met “een overal, sloefen, hemd, onderlijf, paar kousen, handdoek, gazet, tabac en blaaikes, bouillon cubes, zeep, scheergerief, zakdoeken, kam, en sigaretten”. Hij probeert haar nog gerust te stellen met de volgende woorden:
“En nu mijn liefste schat, gij moet niet treuren over mij, dan zal ik gerust zijn en ik hoop dat ik vlug ’t huis zal zijn en dan zal ik een gezond en sterk vrouwtje terugvinden”.
Deze hereniging zal echter nooit plaatsvinden. Op 23 mei 1944 wordt Jan samen met andere Belgische gevangen weggevoerd vanuit het Ooststation te Antwerpen. Na dagen vol koude, honger, en dorst bereiken ze het kamp Buchenwald. In onmenselijke omstandigheden worden ze uit de wagons gedwongen. Jan krijgt een gevangenisvest met een rode driehoek, wat duidt op “Politiek Gevangene”, en het nummer 54081. Samen met zijn vriend Rik Verbraeken wordt hij overgeplaatst naar Ellrich, een subkamp van Dora-Mittelbau, in het Harzgebergte in Centraal-Duitsland.
Hier worden Jan en zijn medegevangenen tot meedogenloos zware arbeid gedwongen. Naast twaalf uur graafwerk om ondergrondse wapenfabrieken in te richten, worden de gevangenen uren wakker gehouden. Ruimte voor rust is er niet. Het slavenwerk is een terdoodveroordeling van lange adem.
Uitputting en ontbering leiden ertoe dat Jan met dysenterie in de ziekenboeg belandt. Deze plaats diende eerder als quarantaine dan als ziekenopvang. Op 30 september 1944 overlijdt Jan in gevangenschap. Voor hij sterft komt hij door bemiddeling van het Rode Kruis nog net te weten dat Louisette in verwachting was van hun dochtertje, Rita.
Zijn vriend Rik overleeft ternauwernood de concentratiekampgruwel. Wanneer de Amerikanen het kamp bevrijden weegt hij amper 38kg. Een paar keer per jaar blijven de gezinnen van de gearresteerde mannen samenkomen in het zaaltje achterin de Scaldis. Ze herdenken hun vrienden en familie en maken ruimte voor nieuwe herinneringen.


